Ter kennismaking
&
inleiding

In 1984 publiceerde ik een van mijn eerste verhalen in Haarlems Dagblad over een roman van Milan Kundera uit 1967 (Žert; De grap). Daarin schreef ik dat Kundera’s fictie leek te worden ingehaald door het leven van alledag in het ‘reëel bestaande absurdisme’ dat ik tijdens mijn studiejaren (1980-1982) in communistisch Tsjechoslowakije had leren kennen. Daar had ik Tsjechische literatuur en taal gestudeerd. De literatuur vond ik geweldig interessant, zeker nadat docent Kees Mercks mij daarin aan de Universiteit van Amsterdam wegwijs had gemaakt. Ik ontdekte dat er een uitwisselingsprogramma  bestond tussen Tsjechoslowakije en Nederland. Van enige sympathie met het daar heersende regime was absoluut geen sprake.

In de daaropvolgende jaren heb ik tientallen verhalen gepubliceerd over mijn journalistieke reizen in Tsjechoslowakije, Duitsland en Frankrijk.

Eerste stappen

De eerste jaren schreef ik mijn verhalen op een elektrische typemachine met een correctielint (wat was ik trots op het bezit daarvan!), die ik had aangeschaft om mijn doctoraalscriptie te schrijven. In 1987 studeerde ik af aan de Universiteit van Amsterdam als literatuurwetenschapper, met kandidaats Engelse taal- en letterkunde en bijvak Ruslandkunde. Dat laatste vak had ik gevolgd bij geweldige docenten als Willem Bezemer, Marius Broekmeyer en Martin van den Heuvel. Daarna was ik als freelancer stukken blijven schrijven voor onder andere het Haarlems Dagblad, waar een goede vriend van mij werkte en waar ik in de gaten kreeg dat mijn verhalen goed werden ontvangen.

In 1987 stuurde ik ongevraagd een langer verhaal naar weekblad Intermediair over de eerste Tsjechoslowaakse president Tomáš Garrigue Masaryk (1850-1937) naar aanleiding van diens vijftigste sterfdag. Het verhaal werd meteen geplaatst en ik had het geluk dat het binnen een paar dagen werd omschreven als ‘voor de liefhebber bijzonder de moeite waard’ door socioloog Jacques van Doorn in zijn column in NRC Handelsblad. Dat was goed voor mijn zelfvertrouwen.

 

‘Achterkant van de advertenties’

De hoofdredactie van Intermediair maakte mij echter unverfroren duidelijk dat journalisten bij hen ‘de achterkant van de personeelsadvertenties voor hoogopgeleiden’ volschreven. Ze betaalde echter goed, en dat kon ook wel met een oplage, toentertijd, van 200.000. Hoofdredacteur Flip Vuijsje en zijn adjunct Frans Verhagen stuurden mij op pad naar bestemmingen die nooit bij mij zouden zijn opgekomen, en keurden mijn ideeën voor verhalen goed. Ze gaven me zelfs in 1990 een laptop met modem in bruikleen om mijn verhalen vanuit Praag door te seinen. Daar was de infrastructuur van de Tsjechische telecom echter nog niet klaar voor, zo ontdekten telefoontechnici en ik met een bundel kabels in de hand op het Praagse postkantoor.

Ruim vier jaar lang schreef ik regelmatig lange reportages over grote en kleine gebeurtenissen in binnen- en buitenland en over onderwerpen die toen, en vermoedelijk nog steeds, sterk tot de verbeelding spreken: met name de omwentelingen in de DDR en Tsjechoslowakije in 1989-1990 en de nasleep daarvan, waarin alle (communistische) zekerheden als sneeuw voor de zon verdwenen en andere veel hardnekkiger bleken dan de meeste mensen hadden vermoed. Ook schreef ik over zelf aangedragen onderwerpen als de fascinerende stad Triëst (na een interview met de innemende Claudio Magris), speciale verhalen over Frankrijk in de voetsporen van de kruistochten (met aparte verhalen over Pyreneeën, Varennes, Vichy) en over een pastoor die als ‘manager van God’ door zijn parochie in de buurt van Nijmegen scheurde.

 

 

Historisch Nieuwsblad

In 2024, na mijn pensionering bij de krant, ging ik weer verhalen schrijven over historische onderwerpen die mij boeien, en bood die aan Historisch Nieuwsblad aan. Dat voelde weer als dertig jaar geleden bij het insturen van mijn eerste verhaal bij Intermediar. Overigens met hetzelfde resultaat! Op de website en in de papieren versie van het maandblad verscheen inmiddels een aantal verhalen, over de  ondergang van de Iolaire op 1 januari 1919, over een nepgrens tussen Bohemen en Beieren tussen 1948 en 1951 en over kwakzalvers in het Vaticaan die de balseming van paus Pius XII in 1958 deden mislukken, waarop het stoffelijk overschot van de pontifex in de kist ontplofte. Na een ontmoeting met hoofdredacteur Bas Kromhout werden we het erover eens dat ik nog meer verhalen aan Historisch Nieuwsblad ga leveren. Via LinkedIn en blogs op deze site maak ik aankondigingen en samenvattingen van die verhalen.

Reisgidsen

Na 1991 stortte ik mij op het schrijven van (literaire) reisgidsen (Praag, Berlijn, Ardennen/Luxemburg, Schotland, Tsjechië), waarbij mijn echtgenote Kristien Winters dikwijls voor fraai en nuttig beeldmateriaal zorgde. Ook begon ik mij toe te leggen op het redigeren als zelfstandige van een honderdtal andere Dominicus-reisgidsen. Inmiddels had ik een redactiebureau opgericht onder de naam InterPunct. Samen met anderen ontwierp ik een nieuw concept en zette in 1997 de eerste onzekere schreden op internet met de website Dominicus WorldSurfer (zie homepage hieronder).

De Limburger

In 2001 ging ik parttime (50 procent) in de late middag- en avonduren werken als eindredacteur bij De Limburger (eerst in Maastricht, later in Sittard). Wie in de archieven van de grootste regionale krant van die tijd van Nederland duikt, zal merken dat verhalen over Tsjechoslowakije (later Tsjechië en Slowakije) en vooral Václav Havel (over wie ik in 1987 mijn doctoraalscriptie had geschreven) onevenredig veel voorkomen in vergelijk met verhalen over andere (voormalige) Oostbloklanden in andere regiokranten. De ruimte die er op de redactie was om met enige regelmaat verhalen in het dagblad op  te nemen, heb ik altijd vrijpostig genomen. De meeste verhalen heb ik uit het krantenarchief kunnen halen en een aantal is op mijn site terug te lezen.

Digitalisering

Bij al het geluk dat ik had, is er, achteraf, ook iets heel vervelends gebeurd: de verhalen die ik voor Intermediair schreef, zijn niet gearchiveerd en evenmin gedigitaliseerd. Nu, jaren later, vind ik het bijzonder jammer dat ze niet opvraagbaar zijn voor anderen – belangstellenden en onderzoekers – op internet. In twee oude mappen had ik thuis de vergeelde kopieën van mijn verhalen liggen. In de herfst van 2023 besloot ik een paar dagen er goed voor te gaan zitten en heb ik een 25-tal verhalen en reportages gescand en gedigitaliseerd. In de loop van de tijd zullen die verhalen met illustraties op deze site verschijnen.

 

Persklaarmaker en fictie

Naast het werk als eindredacteur binnen-buitenland en enige tijd chef nacht bij De Limburger ben ik een kleine veertig jaar actief als persklaarmaker voor een aantal landelijke uitgeverijen zoals Balans, Prometheus, Bezige Bij, Hollands Diep en Alfabet. Die sturen mij kopij van auteurs op die ik op taal-, spel-, stijl- en typografische fouten en historisch-politieke inconsequenties controleer en verbeter.

In 1990 heb ik een novelle gepubliceerd in het literaire tijdschrift Optima, getiteld Herinneringen aan Opus 96. Een kopie ervan met wat illustraties staat nu op deze website.

 

Diverse opdrachten

Daarnaast zijn ook incidentele opdrachten voorbij gekomen, zoals de uitnodiging om bijdragen te leveren aan een jubileumboek over de verwantschap tussen Limburg en Luxemburg (2009), waar ik een verhaal publiceerde over een drietal Luxemburgse deserteurs in Venlo aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Mijn schoonmoeder speelde bij die desertie een belangrijke rol (zie HIER). Verder verleende ik medewerking aan een boek over de Maastrichtse componist en pianist Math Niël, een portret van mijn favoriete klassieke componist Antonín Dvořák tijdens zijn verblijf in de Verenigde Staten (zie HIER) in Spiegel Historiael (1989) en verhalen die ik publiceerde in Niveau, een glossy fotomagazine van mijn vriend Guy van Grinsven. Van deze meesterfotograaf leerde ik ook mijn grenzen te verleggen – soms letterlijk, want we reisden samen naar New York (tien jaar na 9/11) en tijdens het Nederland-Ruslandjaar (2013) naar Moskou en Nizjni Novgorod en veel daartussenin! ‘Kan niet’ bestond niet voor Guy. Heel wat paradijsvogels, artistieke ambachtslieden, opgeblazen politici en ambitieuze kunstenaars hebben we samen bezocht en geportretteerd. Een van de hoogtepunten was de tentoonstelling GRINSVENSKI@GORKI in het Moskouse Gorkipark in 2013 die we zelf in elkaar gestoken hadden met hulp van een stel jonge Moskovieten en Maaastrichtenaren. Tot mijn verdriet is Guy in 2021 te vroeg overleden aan de verschrikkelijk ziekte ALS.

Mijn overbuurvrouw Marielle van Rijn, een digitaal whizz-wonder, heeft mij op weg geholpen met het maken van een website (stoksstories.nl) in WordPress. Daarin publiceer ik met enige regelmaat oudere en nieuwe verhalen die lezers en sitebezoekers hopelijk kunnen boeien en die (historisch) onderzoekers kunnen raadplegen bij het schrijven van hun eigen verhalen. Waar mogelijk voeg ik onder aan de verhalen een bronnenlijst toe.

De titel, Mensch, ist doch alles Geschichte!, is een opmerking die een prototypische ‘Besserwessie’ maakte in Berlijn in 1990 toen zijn Oost-Duitse familieleden hem iets wilden uitleggen over het leven in de DDR. Het was hem ‘völlig wurscht’ (het interesseerde hem geen bal). Dat vond ik heel merkwaardig. Voor mij gold en geldt toch vooral de vaak geciteerde quote van de Amerikaanse schrijver William Faulkner: ‘The past isn’t dead. It isn’t even past.’ Wat wij meemaken in ons leven, is inderdaad allemaal geschiedenis, het zijn allemaal verhalen, maar dat wil niet zeggen dat we er niets mee moeten doen. Een aantal ervan kun je in ieder geval hier lezen.

Ten slotte. Een aantal jaren heb ik als auteursnaam Frans T. Stoks gebruikt. Aanleiding hiervoor was het raadplegen van de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek. Daar bleek dat er nog twee mensen waren die Frans Stoks heetten en publicaties op hun naam hadden staan. Een van hen was mijn vader (F.C.M. Stoks), die eindredacteur was van de Grote Van Dale Woordenboeken Duits-Nederlands en Nederlands-Duits en aan het begin van zijn loopbaan groot succes had gehad met het schrijven van de Duitse Spraakkunst voor iedereen (meer dan tien herdrukken!). De ander was afkomstig uit Venlo (nota bene de geboorteplaats van mijn vader en van mij!) en bleek een aantal romans uit het Frans te hebben vertaald. In de KB-catalogus werden de werken van ons drieën door elkaar gehaald en kregen de verkeerde personen de credits. Daarop besloot ik de letter T (van mijn tweede doopnaam Theodorus) toe te voegen. 

Inmiddels ben ik van ons drieën als enige nog in leven, en is de reden om die T te gebruiken komen te vervallen.